Sulawesi
Wauw. Wat kan een maand snel gaan. En wat kun je veel zien in een maand. Zeker in Sulawesi, vroeger beter bekend als Celebes, waar zoveel te zien is dat ik gemakkelijk nog een maand had kunnen blijven. Maar uiteraard wil ik meer van Indonesië zien.
Mijn trip in dit enorm uitgestrekte land begon in Makassar. Met 1,4 miljoen mensen de grootste stad in Sulawesi, en een van de grootste steden in Indonesië. Deze stad is lange tijd een belangrijk handelscentrum geweest en speelde een sleutelrol in de handel van specerijen vanuit de Molukken. Geen wonder dat de VOC in de zeventiende eeuw - met veel moeite - de stad veroverde en ter verdediging het ‘Fort Rotterdam' bouwde. Na de Indonesische revolutie veranderde de koloniale stad jammergenoeg snel in een drukke, ‘moderne' provinciehoofdstad, maar het fort staat er nog steeds.
Na een dagje bijkomen van mijn lange reis naar Makassar, vertelde een Duits koppel dat couchsurfing (‘banksurfen') in Indonesië verrassend populair is. Voor wie onbekend is met couchsurfing: dit is een online gemeenschap, bedoeld als ontmoetingsplek voor reisliefhebbers die andere reizigers een gratis overnachting (bijvoorbeeld op de bank) willen aanbieden. Ik wilde dit al een tijdje proberen en aangezien Makassar niet echt een goedkoop backpackershostel had, was dit een uitgelezen moment om te beginnen. Zo kwam ik terecht bij de familie van Ahmed, een student uit Makassar die voor mij een extra matrasje overhad. Goedkoop, en erg leuk om zo in contact te komen met de lokale jongeren. Zeker voor herhaling vatbaar!
Vanuit Makassar pakte ik een nachtbus naar Rantepao, het toeristisch hart van Tana Toraja. Dit gebied ten noorden van Makassar staat bekend om de uitbundige en nogal bloedige begrafenisceremoniën van de traditionele bevolking. Los daarvan is het landschap in Tana Toraja ook prachtig, met bergen, groene rijstvelden en -terrassen en de kenmerkende Tongkonans (traditionele huizen). Hoewel Nedelandse missionarissen de meeste mensen hier bekeerd hebben tot het Christendom, zijn veel oude gebruiken overeind gebleven. Naast de Tongkonans, zie je op veel plaatsen oude (en nieuwe) graven uitgehouwen in de rotsen, hangende graven, graven in grotten. Een must is het bezoeken van een begrafenisceremonie, iets waar de locals niet moeilijk over doen. Een slof sigaretten voor de familie en je bent als toerist meer dan welkom om een kijkje te nemen. Terwijl groepen familie en vrienden een voor een in processie de familie komen condoleren, worden de veelal levende geschenken (varkens, buffels) en masse geofferd om een goed leven in het hiernamaals te garanderen. Met name in het geval van de buffels is dit een bloedig tafereel. Met een machete wordt de keel doorgesneden, waarop de buffel minutenlang vecht voor zijn leven, terwijl bloed alle kanten op spuit. Mensen met een zwakke maag en vegetariërs kunnen zo'n ceremonie maar beter overslaan.
Na een stevig portie cultuur, een paar daagjes rondscooteren, het beklimmen van de 2328m hoge Buntu Sesean en een hoop kiekjes van de schitterende uitzichten, vervolgde ik mijn weg naar het noorden. Na een stevige 24 reizen kwam ik aan op het kleine eilandje Poyalisa, in de paradijslijke Togian Islands. Deze eilandengroep ligt aan drie kanten ingeklemd door een grote baai. Hierdoor is de zee bij goed weer onvoorstelbaar vlak, en het water heel helder. Goed voor snorkelen, waarbij we op een van de snorkeltrips de mazzel hadden om een groep van 10-15 dolfijnen (waarschijnlijk grienden) tegen te komen. Een nog groter geluk was dat we een paar keer enkele minuten met deze mooie beesten konden snorkelen! Een ander hoogtepunt van de Togian Islands was een duik naar het (grotendeels intakte) wrak van een B24 bommenwerper uit de tweede wereldoorlog.
Verder waren de Togean Islands vooral heel afgelegen en erg rustig. Slechts enkele uren electriciteit, geen telefoonnetwerk, geen stromend water en als eten vooral veel rijst en vis. Na een kleine week had ik genoeg van de rust en lukte het een veerboot naar het noorden te pakken. Dit was nog niet zo makkelijk, want deze boten gaan slechts enkele keren per week en de ‘dienstregeling' verandert constant. Enfin, een boot, enkele taxis en een goede 24uur later kwam ik aan in Manado. Toch wel een beetje het hoofddoel van mijn trip in Sulawesi, want Manado is de plek vanwaar duikmekka's Bunaken en Lembeh het beste te bereiken zijn. Het eilandje Bunaken is wereldberoemd om zijn prachtige ‘walls', honderden meters diepe verticale muren met prachtige koralen, met een ongekende diversiteit van vissen en een boel schildpadden. Pulau Lembeh is andere koek: onderwater is niets anders dan donker lavazand, kleine beetjes koraal en behoorlijk wat afval. Toch was het duiken te gek. Lembeh staat bekend als een van de beste plekken voor ‘muck diving', waarbij je in dit soort zanderige bodems de gekste beesten tegenkomt. Zeepaardjes, octopussen en vissen die razendsnel van kleur verschieten om zich te camoufleren, grote inktvissen, miniscule krabbetjes en garnalen, enzovoort enzovoort.
Met mijn vliegticket naar Bali al op zak, was het plan om Bali en Lombok te verkennen inmiddels alweer in de prullenbak verdwenen. Na twee daagjes in het drukke, luidruchtige en absurd toeristische Kuta, Bali heb ik het vliegtuig naar Kupang gepakt. Hier in West-Timor ontmoet ik Ray, een Amerikaan die ik tijdens het duiken in de Filipijnen heb leren kennen, om vanhier samen de veerboot naar Alor te pakken. Dit eiland, het meest oostelijke van de lange rij eilanden die in het westen begint met Java, Sumatra en Bali, schijnt erg mooie duikplekken te hebben. Vanaf hier trekken we waarschijnlijk langzaam richting het westen, via Flores. Daarover de volgende keer meer!
Nieuwe foto's zijn er ook: http://www.facebook.com/tomdb
Reacties
Reageer
Laat een reactie achter!
- {{ error }}