tomdeboer.reismee.nl

Duiken, duiken en nog meer duiken...

Oké oké, ik geef het toe... Dit is nauwelijks backpacktrip meer te noemen. Eerder een ietwat uit de hand gelopen duikvakantie. Daar lijkt het in elk geval steeds meer op, als je mijn verhalen tot nu toe leest en de foto's op mijn facebook bekijkt. Ik denk da ik inmiddels aardig verslaafd ben geraakt. Maar daarover later meer.

Tussen het duiken door heb ik gelukkig nog genoeg de backpacker uit kunnen hangen. Zo was er de reis naar Alor, vanaf Kupang, de stad vanwaar ik mijn vorige verhaal schreef. Zoals afgesproken waren mijn reismaatje Ray en zijn Koreaanse vriendin Yoo Jin ook naar Kupang gekomen. Na een nacht in een dormitory met ouderwets comfortabele stapelbedjes vertrokken we naar de haven, waar onze veerboot al lag te wachten. Zoals de meeste Indonesische veerboten zal deze vast ooit stralend wit en hypermodern zijn geweest, maar inmiddels was het beter te omschrijven als een enorme roestige drijvende badkuip. Snel was ie ook niet echt.

Maar goed, als backpacker wil je je natuurlijk juist onderdompelen in de lokale manier van leven.En zo zochten we - gewapend met een tas vol crackers en instant-noodles - onze weg tussen de ontelbare scooters, verkopers, kippen, varkensen wat er zoal nog meer de boot op ging. Zoals vaak met lange trips al deze, viel de tocht zelf uiteindelijkhartstikke mee. Midden op zee zitten heeft zo zijn voordelen: de zonsondergangen zijn magisch en de sterrenhemel onvoorstelbaar helder. Tel daar een paar lauwe flessen Bintang bij op en zelfs wat uurtjes slaap op een geïmproviseerd bed (lees: liggend op de achterkant van twee backpacks) en de 18 uur vliegen om. Nu had het ook weer niet gehoeven dat we deze reis nog een keer moesten maken, maar de directe veerboot tussen Alor en Flores lag helaas kapot in de haven van Flores. En dus mochten we later die week nog twee keer een dergelijk boottochtje maken. Jippie.

Het was het allemaal echter meer dan waard. Terwijl we in de vroege ochtend de baai van Kalabahi binnenvoeren, werden we verwelkomd door een grote groep dolfijnen. En dat zou niet de laatste keer zijn dat we dolfijnen zagen. Ook tijdens de terugreis werden we vergezeld door enkele dolfijnen en tijdens een van mijn duiken konden we onder water zelfs alhet geluid van dolfijnen horen: terwijl we terugvoeren naar onze hutjes op het eilandje PulauKepa, kwamen we in een groep van honderden dolfijnen terecht. Hier zaten ook zogenaamde 'spinner dolphins' tussen, dolfijnen dieerom bekend staan dat ze graag hoog uit het water springen. En jahoor, zowaar gaven een paar dolfijnen een showtje weg. Dit alleen alwas de tocht naar Alor waard, maar gelukkig was het duiken er ook fenomenaal. Fantastische gezonde koralen en een enorme verscheidenheid aan onderwaterleven. Ook boven water beviel Alor prima, met mooie natuur, vriendelijke mensen en nauwelijks toeristen. Op onze laatste dag werden we tijdens een rondrit op de scooter als een soort eregasten onthaald bij het afstudeerfeest van een local, ergens in een klein dorpje. Hoogtepunt (voor de locals in elk geval) was de eindeloze fotosessie (zie ook facebook).

Al met al hadden we nog wel even in Alorwillen blijven, maar door de kapotte veerboot en onregelmatige dienstregelingen hadden we niet al te veel opties om Alor goedkoop te verlaten. Mede door de benodigde extra reistijd waren we gedwongen om een groot deel van Flores over te slaan. En zo kwamen we na een paar dagen van lange boottochten, bus- en taxiritten aan in Labuanbajo. Dit is de uitvalsbasis voor het Komodo National park en uiteraard de woonplek van de wereldberoemde Komodovaraan. Maar de zeeën rond de eilanden Komodo en Rinca zijn ook een beroemd natuurreservaat. Drie keer raden wat ik en Ray daar kwamen doen. Het duiken bij Komodo was wederom waanzinnig. Prachtige koralen, verschillende soorten roggen en haaien en als klap op de vuurpijl, een grote mantarog. Naast het duiken kozen we ook nog een dag uit om per scooter de omgeving te verkennen, samen met twee Britse meisjes en de Chileen Chris, die per motorfiets de hele wereld rondreist.

Duiken en scooteren...het werd een beetje een patroon tijdens mijn tweede maand in Indonesië. Later zou dit ook in Bali het recept zijn. Om even 'bij te komen' van het vele reizen en onze honger naar 'comfort food' te stillen, reisden we vanaf Labuanbajo in een ruk door naar de onder backpackers beroemde Gili's. Op backpackerseiland bij uitstek Gili Trawangan vielen we met onze neus in de boter: het was volle maan en in dit deel van de wereld betekent dit: full moon party op het strand. Lang niet zo groot als het beruchte feest in Thailand, maar na twee weken in wat meer afgelegen gebieden was het fijn om even een paar daagjes los te gaan.

In plaats van weer de diepte in te gaan, zocht ik het hierna voor de verandering wat hogerop. Van Ray en Yoo Jinhad ik op Gili T afscheid genoemen, maar op hetzelfde eiland waren we een van de Britse meisjes tegengekomen waarmee we in Flores hadden rondgescooterd. Samen met haar boekte ik een trek naar de top van Mount Rinjani, een 3728m hoge vulkaan op Lombok. En zo stonden we 's ochtends aan de voet van deze enorme berg, met een bijeengeraapte groep brakke backpackers die geen idee hadden waar ze aan begonnen. De tocht zou drie dagen duren en dat betekende dat we twee nachten op hoogte zouden kamperen. Een bijzondere ervaring! De tocht zelf was waanzinnig mooi, met een landschap dat constant veranderde. Van mistige jungle tot vulkanisch maandlandschap, met watervallen en warmwaterbronnen en eindeloze groene glooiende lavavelden. Gemakkelijk was het niet bepaald. Met name de klim naar de topmidden in denacht was een hel, met los vulkanisch gruis waar je bij elke stap terug in wegzakte en een ijskoude gure wind. Maar de uitzichten waren super, met name het gezicht van de enorme krater van Rinjani, met daarin een groot meer waaruit een kleinere actieve vulkaan omhoog komt.

De laatste stop voordat ik Indonesië verliet, was Bali.Zoals gezegd hoorde hierwederom een goed portie duiken bij, ditmaalin Amed en Nusa Lembongan. Jawel, nog meer duiken. Ik heb de smaak zelfs zo te pakken gekregen, dat ik in Singapore besloten heb weer terug te vliegen naar Bali. De komende zes weken zal ik op het kleine eiland Nusa Lembongan een 'divemaster' stage lopen. Dat betekent niet meteen dat ik van plan ben lange tijd in Azië te blijven en een carriëre als intructeur te beginnen, maar wel dat ik anderhalve maand op een tropisch eiland woon en een heleboel ga duiken. Niet slecht geregeld, dacht ik zo...

Sulawesi

Wauw. Wat kan een maand snel gaan. En wat kun je veel zien in een maand. Zeker in Sulawesi, vroeger beter bekend als Celebes, waar zoveel te zien is dat ik gemakkelijk nog een maand had kunnen blijven. Maar uiteraard wil ik meer van Indonesië zien.

Mijn trip in dit enorm uitgestrekte land begon in Makassar. Met 1,4 miljoen mensen de grootste stad in Sulawesi, en een van de grootste steden in Indonesië. Deze stad is lange tijd een belangrijk handelscentrum geweest en speelde een sleutelrol in de handel van specerijen vanuit de Molukken. Geen wonder dat de VOC in de zeventiende eeuw - met veel moeite - de stad veroverde en ter verdediging het ‘Fort Rotterdam' bouwde. Na de Indonesische revolutie veranderde de koloniale stad jammergenoeg snel in een drukke, ‘moderne' provinciehoofdstad, maar het fort staat er nog steeds.

Na een dagje bijkomen van mijn lange reis naar Makassar, vertelde een Duits koppel dat couchsurfing (‘banksurfen') in Indonesië verrassend populair is. Voor wie onbekend is met couchsurfing: dit is een online gemeenschap, bedoeld als ontmoetingsplek voor reisliefhebbers die andere reizigers een gratis overnachting (bijvoorbeeld op de bank) willen aanbieden. Ik wilde dit al een tijdje proberen en aangezien Makassar niet echt een goedkoop backpackershostel had, was dit een uitgelezen moment om te beginnen. Zo kwam ik terecht bij de familie van Ahmed, een student uit Makassar die voor mij een extra matrasje overhad. Goedkoop, en erg leuk om zo in contact te komen met de lokale jongeren. Zeker voor herhaling vatbaar!

Vanuit Makassar pakte ik een nachtbus naar Rantepao, het toeristisch hart van Tana Toraja. Dit gebied ten noorden van Makassar staat bekend om de uitbundige en nogal bloedige begrafenisceremoniën van de traditionele bevolking. Los daarvan is het landschap in Tana Toraja ook prachtig, met bergen, groene rijstvelden en -terrassen en de kenmerkende Tongkonans (traditionele huizen). Hoewel Nedelandse missionarissen de meeste mensen hier bekeerd hebben tot het Christendom, zijn veel oude gebruiken overeind gebleven. Naast de Tongkonans, zie je op veel plaatsen oude (en nieuwe) graven uitgehouwen in de rotsen, hangende graven, graven in grotten. Een must is het bezoeken van een begrafenisceremonie, iets waar de locals niet moeilijk over doen. Een slof sigaretten voor de familie en je bent als toerist meer dan welkom om een kijkje te nemen. Terwijl groepen familie en vrienden een voor een in processie de familie komen condoleren, worden de veelal levende geschenken (varkens, buffels) en masse geofferd om een goed leven in het hiernamaals te garanderen. Met name in het geval van de buffels is dit een bloedig tafereel. Met een machete wordt de keel doorgesneden, waarop de buffel minutenlang vecht voor zijn leven, terwijl bloed alle kanten op spuit. Mensen met een zwakke maag en vegetariërs kunnen zo'n ceremonie maar beter overslaan.

Na een stevig portie cultuur, een paar daagjes rondscooteren, het beklimmen van de 2328m hoge Buntu Sesean en een hoop kiekjes van de schitterende uitzichten, vervolgde ik mijn weg naar het noorden. Na een stevige 24 reizen kwam ik aan op het kleine eilandje Poyalisa, in de paradijslijke Togian Islands. Deze eilandengroep ligt aan drie kanten ingeklemd door een grote baai. Hierdoor is de zee bij goed weer onvoorstelbaar vlak, en het water heel helder. Goed voor snorkelen, waarbij we op een van de snorkeltrips de mazzel hadden om een groep van 10-15 dolfijnen (waarschijnlijk grienden) tegen te komen. Een nog groter geluk was dat we een paar keer enkele minuten met deze mooie beesten konden snorkelen! Een ander hoogtepunt van de Togian Islands was een duik naar het (grotendeels intakte) wrak van een B24 bommenwerper uit de tweede wereldoorlog.

Verder waren de Togean Islands vooral heel afgelegen en erg rustig. Slechts enkele uren electriciteit, geen telefoonnetwerk, geen stromend water en als eten vooral veel rijst en vis. Na een kleine week had ik genoeg van de rust en lukte het een veerboot naar het noorden te pakken. Dit was nog niet zo makkelijk, want deze boten gaan slechts enkele keren per week en de ‘dienstregeling' verandert constant. Enfin, een boot, enkele taxis en een goede 24uur later kwam ik aan in Manado. Toch wel een beetje het hoofddoel van mijn trip in Sulawesi, want Manado is de plek vanwaar duikmekka's Bunaken en Lembeh het beste te bereiken zijn. Het eilandje Bunaken is wereldberoemd om zijn prachtige ‘walls', honderden meters diepe verticale muren met prachtige koralen, met een ongekende diversiteit van vissen en een boel schildpadden. Pulau Lembeh is andere koek: onderwater is niets anders dan donker lavazand, kleine beetjes koraal en behoorlijk wat afval. Toch was het duiken te gek. Lembeh staat bekend als een van de beste plekken voor ‘muck diving', waarbij je in dit soort zanderige bodems de gekste beesten tegenkomt. Zeepaardjes, octopussen en vissen die razendsnel van kleur verschieten om zich te camoufleren, grote inktvissen, miniscule krabbetjes en garnalen, enzovoort enzovoort.

Met mijn vliegticket naar Bali al op zak, was het plan om Bali en Lombok te verkennen inmiddels alweer in de prullenbak verdwenen. Na twee daagjes in het drukke, luidruchtige en absurd toeristische Kuta, Bali heb ik het vliegtuig naar Kupang gepakt. Hier in West-Timor ontmoet ik Ray, een Amerikaan die ik tijdens het duiken in de Filipijnen heb leren kennen, om vanhier samen de veerboot naar Alor te pakken. Dit eiland, het meest oostelijke van de lange rij eilanden die in het westen begint met Java, Sumatra en Bali, schijnt erg mooie duikplekken te hebben. Vanaf hier trekken we waarschijnlijk langzaam richting het westen, via Flores. Daarover de volgende keer meer!

Nieuwe foto's zijn er ook: http://www.facebook.com/tomdb

Luzon en Palawan

En toen zaten mijn twee maanden in de Filipijnen er alweer op! Eergisteren ben ik op het vliegtuig gestapt van Manila naar Jakarta, om meteen door te vliegen naar Makassar, de hoofdstad van Sulawesi, voor sommigen beter bekend als Celebes. Nu ik de Filipijnen achter me heb gelaten, is het de hoogste tijd om de hoogtepunten van de laatste weken op te pennen.

Waar was ik gebleven? Mijn vorige bericht schreef ik vanuit Tacloban, Leyte. Deze stad is bij locals vooral bekend vanwege de voormalige 'first lady' Imelda Marcos. Deze echtgenote van voormalig dictator Ferdinand Marcos was zelf ook niet geheel onomstreden, met name vanwege haar extravagante leefstijl. Zo had ze met 2700 paarschoenen een collectie waar zelfs Paris Hilton jaloers op zou zijn.

De belangrijkste reden om naar Tacloban te komen was mijn vlucht naar Manila. Deze hoofdstad staat vooral bekend om zijn enorme omvang, vervuiling, drukte en gebrek aan bezienswaardigheden. Ooit was Manila een schitterende stad vol met koloniale gebouwen, maar daar is door hevige gevechten in deTweede Wereldoorlog weinig van overgebleven. Gelukkig bleek Manila wel een prima plek om wat noodzakelijke inkopen te doen en andere backpackers te ontmoeten. Schreef ik vorige keer nog over een gebrek aan reismaatjes, vanaf het moment dat ik voet zette in het hostel in Manila is dat helemaal goedgekomen. En zo zat ik na twee dagen Manila in de nachtbus naar Banaue, in het noorden van Luzon, met nog een stuk of zes ander backpackers. De Cordillera, een bergachtige streek rond Banaue, staat bekend om de spectucalaire rijstterrassen. Deze streek staat niet voor niets genoteerd op de Unesco lijst van werelderfgoed.

Hoewel het landschap er niet minder mooi op werd, was het wel een tikkeltje jammer dat ik het slechte weer uit het zuiden leek te hebben meegenomen. Erger nog, op de eerste uren na aankomst in Banaue na, heb ik geen zon gezien en mijn poncho kwam helaas iets te vaak van pas. Dit is abnormaal voor de tijd van het jaar, en schijnt iets met La Niña (het zusje van het iets bekendere weerfenomeen El Niño) te maken te hebben. Just my luck. Maar goed, binnen zitten is ook maar saai en dus vertrok ik samen met de Francaise Isabelle richting Batad voor een serieuze portie wandelwerk. Onze backpacks lieten we achter in Banaue, want Batad is alleen te voet te bereiken via een steile afdaling. Het voordeel van onze lichte bepakking was dat het mogelijk was om een langere trektocht te kunnen maken zonder terug te hoeven keren naar het beginpunt. De eerste dag verkenden we Batad, een schitterend schouwspel van rijstterrassen tegen stijle hellingen, gelegenin een vorm die doet denken aan een enorm amfitheater. Het was wederom een tikkeltje jammer dat de taaie wandeling naar het hoge uitzichtpunt slechts beloond werd met een uitzicht op een dikke regenwolk. Maar de daaropvolgende wandeling naar een indrukwekkende waterval, onderwegbalancerend over de muurtjes tussen de rijstterrassen, was erg mooi.

De tweede dag in Batad huurden we met een gids in voor een tweedaagse wandeltocht terug naar Banaue. De weg naar het dorpje Pula bestond uit paadjes slingerend door bergen, valleien en rijstterrassen. Heel veel rijstterrassen. We overnachtten in een schattig klein guesthouse in Pula, om de tweede dag terug te lopen naar de weg richting Banaue. Om daar te komen kropen we over een modderig paadje omhoog langs beboste bergen. De uitzichten hadden te gek kunnen zijn, maar helaas, we zagen vooral dikkeregenwolken. Het kan niet altijd meezitten.. Overigens kregen we onderweg ookeen paar kleine inkijkjes in de gebruiken van de traditionele bergvolken (Ifugao) die nog in deze streek wonen. Zo was een groepje locals onderweg naar een dorpje iets verderop, om aldaar een varken te offeren. Dit alles om ervoor te zorgen dat hun zieke vriend weer beter zou worden. Hopelijk heeft het geholpen..

Dit aspect van deoudeIfugao cultuuris nog steeds vrij sterk vertegenwoordig in het leven van alledag, met name bij de oudere generatie (de jongeren vertrekken massaal naar de grote stad op zoek naar een baan). Zo kwam ik al wandelend door de rijstvelden bij Kiangan twee locals tegen die een compleet varken aan een stok meedroegen over een stijl paadje, waarschijnlijk ook met het doel dit om wat voor reden dan ook te offeren. Tijdens mijn verblijf in een homestay in het dorp Kiangan werd ik uitgenodigd om het afstudeerfeest van eenbekende van mijn gastvrouw bij te wonen. Ook hiervoor werd een varken geofferd, ditmaal om de goede afloop te vieren. Het varken was vervolgens in zijn geheel aan een spies geroosterd, ook wel bekend als het traditionele gerecht Lechun. Vooral de krokante huid van het varken is erg populair bij de Filipinos. Jummie. Trouwens, nog iets exotischer en overal in de Filipijnen een populairedelicatesse: Balud, oftewel een gekookt ei met daarin een eendenembryo van een aantal dagen oud.Je ziet de veertjes al zitten.Smaakt trouwens minder slecht dan het eruitziet.

Aan het dorpje Kiangan kleefde ook de nodige geschiedenis.Deze omgeving wasin 1945 het strijdtoneel van de laatstehevige gevechten tussen de troepen van de Japanse generaal Yamashita en de Amerikaanse/Filipijnse bevrijders. In dit dorpje tekende Yamashita de officieuze capitulatie. Voordat ik via Kiangan zou terugreizen naar Manila, stond trouwens ook nog een bezoek aan Sagada op het programma. De reis naar dit heerlijk koele dorpje in de bergen was een belevenis op zich. Tijdens de één uur durende rit per Jeepney was het mogelijk om in plaats van ín de Jeepney, bovenop de Jeepney te zitten. Is er een betere manier om onderweg van het uitzicht te genieten? Gelukkig scheen onderweg voor het eerst sinds bijna een week de zon. Ook in Sagada was het eindelijk fatsoenlijk weer, wat me er niet van weerhield om de donkeregrotten in te duiken. Een populaire attractie in Sagada is de 'cave connection', een ondergrondse tunnel van de een naar een andere grot. Klimmen, klouteren en abseilen in het pikkedonker, duizenden vleermuizen en zwemmen in een ondergrondse rivier: erg leuk om te doen!

Vanuit Manila vloog ik naar Puerto Princesa, de hoofdstad van Palawan. Een paar jaar geleden beschreef de Lonely Planet dit eiland nog als ongerept en de 'last frontier of The Philippines', maar inmiddels krijgt Palawan meer en meer toeristen op bezoek. Desalniettemin zijn de meeste wegen nog onverhard en is er alleen 's avonds electriciteit, mits de generatoren het niet begeven. Massatoerisme is er gelukkig dus (nog) niet. De twee weken op het hoofdeiland van Palawan zijn gemakkelijk samen te vatten: paradijselijke stranden, veel nieuwe vrienden, Filipijnse rum, 'island hopping' (een dag lang van het ene belachelijk mooie strandje naar het andere varen) en een beetje duiken.

Het absolute hoogtepunt van mijn verblijf in Palawan was El Nido, een dorpje gelegen aan een baai en beroemd vanwege de zogeheten 'Bacuit Archipelago': een verzameling kleine en grotere eilanden met steile krijtrotsen, witte stranden en turquoise zeewater. Een echt paradijs! De reis ernaartoe was op zijn minst interessant te noemen. Was ik aanvankelijk van plan om de trip bovenop het dak van de bus te maken, al na twee bochten veranderde ik van gedachten. De bus stopte en met man en macht werd een hevig krijsend varken het dak op gehesen. En geen klein varken ook. Dan maar gewoon in de bus. Aangekomen in El Nido kostte het weinig moeite om nieuwe vrienden te maken. Het hostel, een kleine dormitory pal aan het strand, was perfect om andere backpackers te ontmoeten. Na een paar dagen lukte het om een groepje mensen bij elkaar te verzamelen en een dealtje te sluiten met een locale schipper, om 's avonds naar een van de nabijgelegen eilanden te varen en op een verlaten strandje te kamperen! Nouja, niet helemaal verlaten, want het kostte slechts een kleine klouterpartij over de rotsen om te kunnen hi-fiven met de deelnemers van de Zweedse Expeditie Robinson, die op een strand vlakbij waren voor de opnames van het nieuwe seizoen. Terwijl zij daar zaten te verhongeren genoten wij van een lekkere barbecue aan het kampvuur. Verschil moet er zijn.

Sluitstuk van mijn verblijf in Palawan was Coron, op het eiland Busuanga, beroemd om het wrakduiken. In de tweede wereldoorlog had een deel van de Japanse vloot zich verstopt tussen de vele eilanden. Maar helaas, ze werden gevonden door de Amerikanen en een grote luchtaanval was genoeg om meer dan een dozijn schepen naar de zeebodem te jagen. Duikverslaafd als ik inmiddels ben geworden, kon ik de kans niet laten voorbijgaan om een kijkje te nemen in deze wrakken. Jawel, ín de wrakken. Zwemmend door donkere gangen, machinekamers, olietanks en kleine openingen, met boven de enorme (100-160m) schepen grote groepen vissen: zeker een van de gaafste dingen die ik ooit gedaan heb!

De trip terug naar Manila was een lange: vliegen vanaf Coron is te duur en dus nam ik een Bangka (traditionele houten boot) naar het eiland Mindoro. Gelukkig had ik een prima tussenstop weten te regelen. Na 10 uur op de schommelende boot en nog eens 10 uur per bus en veerboot, werd ik in Batangas opgepikt door Louie. Louie was ik in El Nido tegengekomen en had me uitgenodigd om in Anilao een weekendje door te brengen in het kleine windsurfkamp dat hij jaren geleden met wat vrienden uit Manila had opgericht. Gratis overnachting, maaltijden en als bonus ook nog een paar windsurflessen voor nop. Geen slechte manier om mijn laatste dagen in de Filipijnen door te brengen!

Na een korte trip naar Manila en een dagje shoppen (laundry service bedankt, 90 graden en een sloot bleekmiddel was misschien een beetje overkill, dacht u niet?) vloog ik naar Jakarta. Daar lukte het me om midden in de nacht een voordelig ticket naar Sulawesi te boeken en voila! Hier ben ik. Goed, genoeg geschreven: tijd om Indonesië te verkennen!

Tot snel, en vergeet niet de foto's op Facebook te checken!

Mindanao en Leyte

Okee, ik geef het eerlijk toe. Terwijl de lente bij jullie om de hoek komt kijken, regent het hier al de hele middag. Pijpenstelen. En de afgelopen dagen heb ik ook mijn portie nattigheid gehad. Het is niet altijd paradijs in het leven van de backpacker. Het rotweer heeft ook een voordeel: nu kan ik mooi een nieuw verhaaltje schrijven zonder me schuldig te voelen dat ik binnen zit. En ik heb weer genoeg te vertellen.

Mijn vorige blog schreef ik vanuit Cagayan de Oro, een universiteitsstad ter grootte van Den Haag in het noorden van het eiland Mindanao. Zoals ik al schreef, laten veel toeristen Mindanao links liggen. Een belangrijke reden hiervoor is dat het eiland regelmatig negatief in het nieuws komt. Hoewel het merendeel van de Filipino's katholiek is, leeft op Mindanao een aanzienlijke groep moslims, ook wel 'Moro' genoemd. De Moro strijden al sinds de Spaanse onderdrukking voor onofhankelijkheid. Rebellengroepen, waaronder het Moro Islamic Liberation Front (MILF, zonder dollen) en Abu Sayyaf, plegen zo nu en dan aanslagen en ontvoeren regelmatig buitenlanders om losgeld. Klinkt niet als de ideale vakantiebestemming.

Gelukkig is Mindanao een bergachtig eiland zo groot als Portugal, en beperken de problemen zich slechts tot enkele uithoeken en een eilandengroep voor de kust van Mindanao. Ik hoefde me geen zorgen te maken, aangezien ik slechts in het veilige noorden van Mindano zou reizen. Mijn eerste bestemming alhier was echter om een andere reden recentelijk negatief in het nieuws: de tropische storm Sendong hield hier in december flink huis. Overstromingen in en rondom Cagayan de Oro hebben aan honderden mensen het leven gekost. Op het eerste gezicht was hier weinig van te merken, maar de verhalen van locals en tentenkampen in de grotere parken van de stad spraken boekdelen.

Iets leukers waar Cagayan om bekend staat, is de mogelijkheid om te raften. Iets wat ik zelf natuurlijk ook even heb uitgeprobeerd. Daarnaast was het erg leuk om rond te struinen door de stad, met name vanwege de levendige avondmarkt op de vrijdag en zaterdag. Barbecuestalletjes en kledingverkopers namen op die avonden het centrum van de stad over en op een groot podium werd live muziek gespeeld. Erg sfeervol allemaal!

Andere backpackers kwam ik eigenlijk nauwelijks tot niet tegen in Cagayan de Oro. Wel raakte ik al rondstruinend in contact met een groepje studenten, die namens Amnesty International een handtekeningenactie voerden voor de Reproductive Health bill. Dit wetsvoorstel, dat gaat over het recht op anticonceptie en gezondheidszorg voor moeder en kind, is in dit overwegend katholieke land een heet hangijzer. Met een explosieve bevolkingsgroei en een economie die op zijn zachtst gezegd al decennia lang niet helemaal lekker gaat, zou een beetje geboorteplanning echter niet verkeerd zijn. Desalniettemin kan het nog wel even duren voordat dit wetsvoorstel wordt aangenomen.

Maar genoeg over politiek, er is in Mindanao ook een hoop moois te zien. Vanuit Cagayan de Oro vertrok ik met de bus richting Balingoan, om daar een veerboot naar het eiland Camiguin te nemen. Dit eiland is bezaaid met vulkanen en ziet er vanaf het vasteland indrukwekkend uit. De boottocht erheen was minstens zo indrukwekkend: een klein groepje dolfijnen zwom een tijd lang pal naast de boot!

Camiguin is geen groot eiland: een rondje langs de kust is zo'n 65km lang. Ideaal om op een gehuurde tweewieler rond te touren. Voordat ik het wist reed ik dan ook met backpack en al op mijn gehuurde schakelbrommer, op weg naar mijn hostel. Dit was voor mij een primeur en in het begin was het eventjes een geklooi met de versnellingen, maar al snel genoeg vloog ik op mijn pijlsnelle gele Honda van de ene naar de andere kant van het eiland.

Net als in Cagayan de Oro viel het op Camiguin niet mee om reismaatjes te vinden. Om het eiland niet helemaal alleen te hoeven verkennen, boekte ik nog diezelfde avond een tocht voor de volgende dag. Ik wilde graag de vulkaan Mount Hibok Hibok (1320m) beklimmen en gelukkig was ik niet de enige. Kathy en Philippa, twee dames uit Engeland, hadden zich ook opgegeven voor de trip. Aldus ging voor de zoveelste keer deze trip mijn wekker al voor 5 uur 's morgens af. In het begin zag het er niet goed uit: regen. Gelukkig zetten we door, en halverwege onze tocht omhoog trok het wolkendek opeens open, zodat we op de top werden beloond met een te gek uitzicht over het eiland en de omgeving. Weer beneden aangekomen konden we in een warmwaterbron heerlijk bijkomen van onze tocht. Dankzij de vulkanische activiteit van de Hibok Hibok komt water van 39 graden uit de grond, wat benut wordt in enkele mooi tussen de bomen aangelegde baden. Genieten, zeker na enkele weken alleen koud gedoucht te kunnen hebben.

De volgende dag ben ik samen met Kathy het hele eiland rondgesjeesd op mijn Honda, met als hoogtepunten een wandeling naar de Tuwasan waterval en snorkelen in een reservaat voor reuzenoesters. 's Avonds waren we uitgenodigd om te komen eten bij Bebot, de gids die ons naar de top van de Hibok Hibok had gebracht. Geheel in Filipijnse stijl, moest na het uitgebreide diner worden meegedaan met karaoke. Ook geheel conform de lokale norm: in de bescheiden woonkamer van de bescheiden woning stond een stel enorme speakers die in de gemiddelde Amsterdamse club nog niet zouden misstaan. Combineer dit met een karaokeset, enkele flessen San Miguel en Filipijnse rum en je snapt waarom het niet meeviel om de volgende ochtend vroeg de veerboot te halen.

Gelukkig lukte dat en na anderhalve dag reizen kwam ik aan op mijn volgende bestemming: Padre Burgos in zuidelijk Leyte. Deze plaats, gelegen aan de mooie Sogod Bay, staat bekend als een goede duikplek. Die reputatie maakte het zeker waar. In vijf duiken, waarvan twee in het donker, heb ik een hoop moois gezien: kristalhelder water, schitterende dropoffs vol koralen en allerlei gekke kleine wezens, zoals zeepaardjes, frogfish en de exotisch ogende flamboyant cuttlefish en wunderpus.

En er was nog een andere reden om naar Sogod Bay te komen: de walvishaai. Een planktonetende haai die tot een meter of tien kan groeien en daarmee de grootste vis is die op onze planeet rondzwemt. Net als in het bekendere Donsol worden in Leyte elk jaar walvishaaien gespot. In Sogod Bay worden de haaien echter niet elk jaar even vaak gesignaleerd. Gelukkig is dit een goed jaar!

Van een andere duiker in Padre Burgos hoorde ik dat een trip om de walvishaaien te spotten het goedkoopst kon worden georganiseerd in het dorpje Sonok, aan de overkant van de baai. En zo kwam het dat ik 's middags aanklopte bij het huis van Pastor Ernesto. Naast leider van een lokale parochie, is hij leider van een groep 'whaleshark spotters' en runt hij een kleine homestay. De volgende ochtend vertrokken we in een kleine motorboot naar het gebied waar de walvishaaien meestal gesignaleerd worden. Achter onze boot werden twee kleine roeibootjes met spotters voortgetrokken. Het plan om vroeg te beginnen en andere boten met snorkelaars voor te zijn viel echter een beetje in het water. In de ochtend was er nauwelijks stroming en dus geen plankton in het water en zwommen de walvishaaien te diep. Na een tijd zoeken en een korte ontmoeting (de haai dook snel naar het diepe) zat er niets anders op dan te wachten tot de stroming zou veranderen. En met succes! Na de lunch, toen er ook enkele andere boten en spotters waren gearriveerd, werd er al snel 'tiki tiki' (Visayan voor walvishaai) geroepen door een van de spotters. Nietsvermoedend sprong ik met mijn snorkel het water in, om plotseling oog in oog te drijven met een meterslange walvishaai. Onbeschrijflijk gaaf! Niet lang daarna werden nog een paar walvishaaien gespot, waarvan de laatste langer dan een uur in het ondiepe bleef rondzwemmen. En dat ondanks het legertje snorkelaars dat er uiteindelijk boven hing. Al met al een onvergetelijke ervaring!

Het verblijf bij Pastor Ernesto was een ervaring op zich. De gastvrijheid van hem en zijn vrouw was hartverwarmend. Echter, ik kan een paar kritische noten niet onderdrukken. Ten eerste bekroop mij na een aantal gesprekken het gevoel dat de opbrengsten van de walvishaai-tripjes niet louter ten goede van het lokale marine reserve komen, terwijl dit wel een beetje zo wordt gebracht. Het leek er soms op dat het uitbreiden van de parochie en het onderhoud van de kerkgebouwen op de eerste plaats komt, en het beschermen van de walvishaaien en ander onderwaterleven op een tweede. Gelet op het feit dat er regelmatig boten van naburige duikresorts langskomen met groepen mensen die een stuk meer betalen dan ik, zag het bezoekerscentrum (lees, afdakje tegen de regen) er onnodig armoedig uit. Desalniettemin biedt het bestaan als 'spotter' een goed alternatief bestaan voor (op zijn minst een klein deel van) de lokale vissers en is het voor hen een goede motivatie om de walvishaaien te beschermen en het plaatselijke onderwaterleven met rust te laten. Het lijkt er dus op dat de activiteit (mits kleinschalig zoals nu) meer goed doet dan kwaad.

Verder begon de bekeringsdrang van de pastor me na een dag al aardig op de zenuwen te werken. Als ware ik een verloren ziel, werd mij keer op keer verteld hoe goed de Heer voor hem was geweest, welke wonderen Hij had verricht en en hoe belangrijk het is Hem in het hart te sluiten. Atheisme valt moeilijk uit te leggen aan een pastor en dat heb ik dan ook maar niet geprobeerd. Aangezien het nogal wat regende was er echter ook geen ontkomen aan de monologen van de pastor. Misschien was dat nog wel mijn grootste bezwaar: veel gepraat, maar weinig dialoog. Na twee dagen vol preken en aandringen om mijn liefde voor Jezus toe te geven, snakte ik naar onzinnige small talk en was ik blij om de homestay het mooie dorpje Sonok achter me te kunnen laten.

Al met al heb ik de afgelopen weken een hoop mooie dingen gezien en beleefd. Dit heb ik mede te danken aan het feit dat ik ervoor heb gekozen iets buiten de populaire backpackerpaden te gaan. Daar kleven echter ook een paar nadelen aan. Naast het duiken en snorkelen met walvishaaien was er in Padre Burgos en Sonok geen hol te beleven, een enkele leuke avond met lokale jeugd daargelaten. Ook heb ik de laatste paar weken nauwelijks leuke reismaatjes ontmoet. Ik heb dan ook zeker een paar eenzame momenten beleefd. Maar ook dat hoort bij het alleen reizen! De oplossing? Een dagje internetten in Tacloban, westerse broodjes en tosti's, een vliegticket naar Manila en een reservering in een vaak volgeboekt backpackershostel in Manila. Op naar het noorden!

Kukelekuuu

Het kan snel gaan...zo zit je nog aan de koek en zopie bij -10, het volgende moment zit je een stukje te schrijven in een internetcafe vol (en dan bedoel ik ook echt bomvol) met gamende en toekijkende Filipijnse scholieren. Toegegeven, het heeft even geduurd voordat ik de knoop had doorgehakt en besloot te gaan reizen. Maar daarna is het snel gegaan: laatste werkweek, een weekje oud-hollandsche ijspret, kamer leeghalen, tas pakken en voordat ik het wist zat ik al op het vliegtuig naar Singapore.

De Filipijnen zijn mijn eerste reisdoel. Simpelweg omdat ik tijdens mijn vorige verblijf in Zuidoost-Azië zulke goede verhalen hoorde over dit land, dat ik het graag met eigen ogen zou gaan bekijken. Deze reis wordt echter wel iets anders dan de trip twee maanden na mijn stage in Singapore, nu zo'n drie jaar geleden. Probeerde ik toen zoveel mogelijk highlights in twee maanden te proppen, nu doe ik het wat rustiger aan en neem ik rustig de tijd voor de Filipijnen. Wat daarna komt en wanneer ik precies terugkom staat ook nog open.

Genoeg inleidende praat: Singapore dus. Een stad die ik na mijn stage bij de National University of Singapore ken als mijn broekzak. Heel veel groter dan die broekzak is Singapore dan ook niet. Veel tijd hoefde ik er dus ook niet te besteden, maar mijn trip naar de Filipijnen bood een prima gelegenheid om wat oude bekenden op te zoeken. In de paar jaren van mijn afwezigheid is er in Singapore al weer aardig wat veranderd. Zo zijn er in niet al te lange tijd een compleet nieuwe metrolijn en een enorm casinocomplex (het eerste in Singapore) bijgekomen. Sommige dingen veranderen gelukkig niet. Een daarvan is de 'ladies' night' op woensdagavond, met kortingen in clubs, wekelijks samenkomen van tig uitwisselingsstudenten op de 'bridge' in Clark Quay en feesten tot in de kleine uurtjes. Dat mijn vlucht aan het begin van de woensdagavond landde in Singapore was dan ook niet geheel toevallig.

Het idee dat een avondje stappen zou helpen tegen de jetlag was een illusie. Een kater, een paar uurtjes sightseeën en een slapeloze nacht verder, vloog ik op de vroege vrijdagmorgen naar Cebu, in het hart van de Filipijnen. Een van de redenen om daar in te vliegen en niet op de hoofstad Manilla, is dat het mij de mogelijkheid bood om Fabian, een andere vriend uit mijn Singapore-tijd op te zoeken. Hij zat op dat moment namelijk op het nabijgelegen eilandje Panglao. Vandaar dat ik vanuit het vliegtuig meteen de boot naar Bohol pakte, om uiteindelijk uit te komen op Panglao, een klein eiland met witte stranden en een blauwe zee zoals je die normaal alleen in reisgidsen ziet. Wel een tikkeltje toeristisch.. Mijn verblijf in Bohol was mede daarom slechts kort. Twee nachten in een homestay, twee duiken bij Balicasag Island (grote scholen vissen, grote zeeschildpadden, geen slecht begin!) en een ontmoeting met Fabian verder, zat ik op zondag alweer in de boot terug naar Cebu.

De volgende bestemming was Malapascua, een eilandje dat met 2,5 bij 1 kilometer slechts een fractie van Schiermonnikoog zou beslaan. Dit eilandje stond voor aanvang van mijn reis hoog op mijn verlanglijstje. De reden: de thresher shark, ofwel voshaai. Malapascua is een van de weinige plekken waar je deze haai gemakkelijk kunt spotten. Het koraal bij Malapascua duikplek is op veel plekken verwoest door vissers (dynamiet en cyanide zijn hier jammergenoeg populaire doch niet erg duurzame manieren om te vissen). Desalniettemin is op zo'n 24 meter diepte nog steeds een 'cleaning station' operationeel. Hier komen de haaien vanuit de diepte heen om 's ochtends een 'douche' te nemen: kleinere vissen eten parasieten tussen de schubben van de haaien vandaan. Aangezien de haaien niet zo van licht houden is het wel vroeg opstaan geblazen: al om half vijf moet de boot naar deze duikplek worden gepakt. Dit was het echter meer dan waard! De thresher sharks zijn prachtige beesten en het is erg indrukwekkend om haaien van 4-5 meter lang vlak voor je neus langs te zien zwemmen. Als bonus kwamen er ook een paar devil rays opdagen. De devil ray is het kleinere broertje van de manta ray, maar nog steeds een flinke rog met een spanwijdte van enkele meters.

Om mijn budget nog maar eens extra op de proef te stellen, heb ik later nog enkele duiken gemaakt in de buurt van Malapascua, onder andere bij de Dona Marilyn, het met koraal overgroeide wrak van een grote veerboot. Ook Gato Island, met een kleine grot, flinke white tip reef sharks, zeeslangen en miniscule pygmee sea horses (kleiner dan de nagel van je pink) was zeer de moeite waard. Maar duiken was niet het enige wat er te doen was op Malapascua. Met prachtige witte zandstranden en wuivende palmbomen leende het eiland zich goed voor een flink potje luieren. Iets wat wel nodig was met al dat vroege opstaan. De oorzaak: hanen. Volgens mij overdrijf ik niet als ik zeg dat op Malapascua meer hanen dan mensen verblijven. Dat maakt een wekker nogal overbodig, zelfs als je om half vijf op moet staan om te duiken. De reden dat er zoveel hanen zijn, is dat het hanengevecht in de Filipijnen een extreem populaire 'sport' is. De locals nemen deze bezigheid bloedserieus. In de letterlijke zin, want de hanen krijgen flinke messen aan hun poten gebonden. Het resultaat is gruwelijk genoeg om Marianne Thieme een acute harverzakking te bezorgen, maar de Filipijnen zijn er dol op en verwedden graag hun laatste pesos tijdens de frequente 'cockfights'. Ieder zo zijn ding...

De sfeer op Malapascua was erg relaxt. Zo relaxt, dat ik me na een week op dit eiland realiseerde dat ik ook maar eens wat meer van de Filipijnen zou moeten gaan bekijken... Om mezelf van mijn luie hol te dwingen, heb ik daarom een ticket geboekt naar Cagayan de Oro, op het door toeristen veel minder bezochte eiland Mindanao. Voordat ik daar heen zou vliegen, maakte ik eerst echter nog een tussenstop in Moalboal, om te duiken bij Pescador Island. Het dorpje Moalboal had een wat merkwaardige sfeer. Het strand is volledig verdwenen, doordat men het een goed idee vond om resorts te bouwen bovenop het zandstrand. Mede hierdoor zijn de meeste toeristen naar het enkele kilometers verderop gelegen 'White beach' vertrokken: je ziet louter duikers en dubieuze koppels bestaande uit rondbuikige westerlingen en significant jongere Filipijnse dames. Het duiken bij Pescador was echter zeer de moeite waard, evenals het avondje pool en karaoke in een lege bar met mijn Canadese duikbuddy Mark, het barpersoneel en enkele 'dames' van discutabel geslacht. Ook het bezoek aan de Kawasan Falls mocht er zijn. Met name het ongelooflijk helderblauwe water bij deze watervallen was erg mooi.

Na bijna twee weken in de Filipijnen is het me nu al duidelijk geworden dat dit geen korte trip gaat worden. Met de vriendelijke mensen, prachtige stranden, mooie duikplekken en vele andere bezienswaardigeheden zou ik alleen hier al een paar maandjes zoet kunnen zijn. Niet in het minst omdat reizen hier een hoop geduld vergt, met name om van het ene naar het andere eiland te komen. En dat is nog wel eens nodig in een land met meer dan 7000 eilanden. Voorlopig ben ik hier dus nog niet weg!

Foto's kun je vooralsnog alleen vinden op mijn Facebook-pagina, maar wellicht upload ik hier binnenkort ook enkele foto's.

De groeten!
Tom